Vrijheid vraagt grenzen – waarom onze democratie weerbaar moet zijn

Opiniestuk van Tweede Kamerleden Mona Keijzer en Shanna Schilder

We zijn in Nederland soms bang geworden om grenzen te stellen. Bang om het verkeerde woord te gebruiken. Bang om iemand voor het hoofd te stoten. En vooral: bang om keuzes te maken. Maar een democratische rechtsstaat die alles maar laat gebeuren, houdt zichzelf niet overeind.

Vrijheid is een groot goed. Wij zijn de eerste om dat te zeggen. Vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst, het recht om te demonstreren. Het zijn verworvenheden waar generaties voor hebben gevochten. Maar vrijheid is nooit bedoeld als vrijbrief om anderen onder druk te zetten of om de democratische rechtsstaat stukje bij beetje uit te hollen.

Toch zien we dat steeds vaker gebeuren. In onze straten en op onze pleinen. In de openbare ruimte die van ons allemaal is.

Straatgebeden, collectieve religieuze manifestaties, versterkte gebedsoproepen, luidruchtige bijeenkomsten met een duidelijke boodschap: dit zijn geen privé-uitingen van geloof meer. Ze zijn zichtbaar, collectief en normerend. Ze richten zich niet alleen tot wie mee wil doen, maar juist ook tot wie daar niet om gevraagd heeft. En precies daar wringt het.

De openbare ruimte is geen leeg canvas voor ideologische claims. Het is de plek waar iedereen zich vrij moet kunnen bewegen: vrouwen, mannen, gelovigen, ongelovigen, homo’s, lesbiennes, jongeren, ouderen. Als die ruimte structureel wordt gebruikt om religieuze of ideologische normen op te leggen, dan verdwijnt die vrijheid voor een deel van de samenleving.

Daarom is het nodig dat we weer helder durven zijn. Dat we zeggen: ja, geloof is vrij. Maar nee, de openbare ruimte is geen podium voor ideologische dwang. En ja, demonstreren mag. Maar niet met het doel om de democratische rechtsorde af te schaffen of de vrijheid van anderen te beperken.

De Wet weerbare waarden beschermd precies dat. Niet meer en niet minder.

De wet is geen aanval op religie. Integendeel. Zij beschermt juist het individuele geloof tegen collectieve druk. Ze verbiedt geen meningen en censureert geen overtuigingen. Ze stelt één simpele grens: grondrechten mogen niet worden misbruikt om andere grondrechten kapot te maken.

Bestuurders krijgen met deze wet eindelijk duidelijkheid. Geen vaag gedraai meer, geen handelingsverlegenheid, geen angst om later door de rechter te worden teruggefloten omdat de wettelijke basis ontbreekt. Objectieve criteria, duidelijke voorwaarden en altijd met proportionaliteit en zorgvuldigheid. Zo hoort het in een rechtsstaat.

Wie zegt dat dit “onvrij” is, draait de zaak om. Onvrijheid ontstaat juist wanneer de overheid wegkijkt. Wanneer zij toestaat dat sociale druk de plaats inneemt van wettelijke gelijkheid. Wanneer zij haar neutraliteit verliest door alles toe te laten.

Vrijheid vraagt onderhoud. Soms betekent dat dat je grenzen stelt. Niet om mensen klein te houden, maar om ervoor te zorgen dat iedereen vrij kan blijven.